Religieus festival ter ere van Laksmi, de godin van de rijkdom (Bengali eren de godin Kali). Duur: 5 dagen, van de 13e dag van de donkere helft van de Hindu maand Asvina tot de 2e dag van de lichte helft van Karttika (Gregoriaanse kalender: laatste helft oktober).

 

De naam ‘Divali’ komt van het Sanskrit ‘dipavali’, ‘rij lichten’. Het feest wordt vooral gevierd door handelaren. Tijdens het festival worden kleine aardewerk olielampjes in rijen langs de daken van tempels en huizen gezet. Ook worden drijvende lampjes op de rivieren en stroompjes los gelaten. Volgens de overlevering is dit ter herinnering aan de terugkeer van Rama (een incarnatie van de Hindu god Vishnu) naar ayodhya en zijn verlate kroning na veertien jaar ballingschap.

 

Nieuw jaar

De vierde dag van Divali- het hoogtepunt van het festival – markeert het begin van het nieuwe jaar volgens de Vikrama-kalender. Handelaren houden op deze dag religieuze ceremonies en openen nieuwe boekjaren. Dit is in het algemeen een tijd voor bezoeken aan familie en vrienden, uitwisselen van geschenken, versieren van huizen, uitgebreid dineren en het dragen van nieuwe kleren. Weddenschappen worden aangemoedigd in dit seizoen, als een manier om geluk voor het komende jaar de verzekeren en ter herinnering aan Heer Shiva en Parvatis dobbelspelen op de berg Kailasa.

 

Dood en heilige kennis

Diwali is ook bij de Jaina-gemeenschappen een belangrijk festival. Zij herdenken tijdens dit festival het ter Nirvana gaan (de dood) van Mahavira, de laatste Jaina Tirthankar (heilige). De olielampen worden hier als vervanging voor het licht van de heilige kennis gezien, die bij de dood van Mahavira verloren ging.