In december begint voor Joden het achtdaagse Chanuka (‘Feest der lichten’). Tijdens Chanuka wordt de herovering gevierd van de heilige tempel in Jerusalem op de Syriers. Dit gebeurde in 164 v. Chr.. Toen de Joden de tempel opnieuw wilden inwijden, bleek er net genoeg ‘kosjere’ olie te zijn om de lampen één dag te laten branden. Tot ieders verbazing bleven de lampen toch acht dagen branden op dit kleine beetje olie. 

 

Tijdens Chanuka wordt een chanukia (9-armige kandelaar) op tafel gezet. Hierin staat voor elke dag een kaars en een negende, de middelste (sjamasj), om de anderen aan te steken. Elke dag wordt er zodra het donker wordt één kaars meer aangestoken (meestal door de jongste van het gezin). De nieuwe kaars wordt hierbij als eerste aangestoken.

 

Een wonder

Deze traditie is een directe verwijzing naar de inwijding van de heilige tempel. Volgens Rabbi Sjammai realiseerden de mensen zich dat er een wonder was gebeurd toen de olie langer dan 1 dag bleef branden. De dagen erna vond men dit steeds gewoner. Volgens rabbi Hillel dacht men in eerste instantie dat er meer olie was dan men had gedacht. Pas later realiseerde men zich dat er een wonder was gebeurd. Omdat Hillel gelijk kreeg, worden er elke dag van Chanuka meer lichtjes aangestoken. Had Sjammai gelijk gekregen dan was er elke dag een lichtje gedoofd.

 

Als de kaarsen branden, wordt er zo weinig mogelijk gewerkt. Men zingt liedjes en doet spelletjes. Het traditionele spel is Dreidl (een houten tol met Hebreeuwse letters erop, die samen de zin ‘Hier gebeurde een groot wonder’ vormen). De inzet bij dit spel is chocoladegeld. Tegenwoordig worden ook andere spelletjes gespeeld, zoals kaarten en bingo. Bij Chanuka horen gerechten die zijn gemaakt met olie. Voorbeelden zijn ‘latkes’ (gefrituurde aardappelpannenkoeken) en ‘soevganiot’ (gevulde oliebollen).